KONINKLIJK NEDERLANDS WATERSPORT VERBOND

KLASSENVOORSCHRIFTEN NATIONALE

16 m KLASSE



Inhoud

1. BOUWVOORSCHRIFTEN

2. KLASSENVOORSCHRIFTEN



HOOFDAFMETINGEN

Lengte over alles         :           6.00 m

Grootste breedte         :           1.92 m

Diepgang                     :           0.80 m

Oppervlak grootzeil     ca        12.0 m

Oppervlak genua         ca        4.0 m

Oppervlak kleine fok   ca        2.9 m

Bemanning : 2 personen

Ontwerper                  : H Bulthuis en de Technische Commissie van de NNWB

Erkende klasse sinds   : 1931

Nationale Autoriteit     : KNWV

Klassenorganisatie       : 16 m Klasse Organisatie

UITGAVE                  : Maart 2000

Vorige uitgave : Maart 1998



1 BOUWVOORSCHRIFTEN

1.1      STANDAARDTEKENINGEN

blad 1  Bouwtekening, schaal 1:10, april 2000

blad 2  Tekening spanten voorschip, ware grootte, juni 1991

blad 3  Tek. spanten achterschip en spiegel, ware grootte, april 2000

blad 4  Tekening roerblad en voorsteven, ware grootte, maart 1975

blad 5  Zeiltekening, schaal 1:20, februari 1984

blad 6  Kieltekening, schaal 1:5, februari 1998

Bij de standaardtekeningen behoort een bouwhandleiding.



1.2      BESTEK

Kielbalk          Eiken, 100 x 23 mm.

Buitenkiel        Eiken, 50 mm breed.

Steven             Eiken, 85 x 50 mm, lamineren is toegestaan.

Spiegel                        Mahonie, 23 mm dik. Het is toegestaan een dekspiegel aan te brengen van 10 mm dik,
houtsoort vrij, mits de lengte over alles hierdoor niet beinvloed wordt. Openingen in de spiegel zijn niet toegestaan.

Spiegelknie      Eiken, 23 mm dik.

Spanten           Mahonie, 23 mm dik. Opbergkastjes en/of legplankjes mogen tussen de spanten worden aangebracht.

Wrangen         Mahonie. T.p.v. spant 1, 7 en 8 moeten de wrangen 23 mm dik zijn. T.p.v. spant 2, 3, 4, 5 en 6 moeten de
wrangen 50 mm dik zijn. De verbinding van de spanten met de wrangen mag versterkt worden door metalen
versterkingshoeken, 25 x 5 mm, beenlengte 150 mm tegen de zijkant van de verbinding te plaatsen. De wrangen 3, 4 en 5
mogen 20 mm hoger zijn dan de tekening aangeeft. T.p.v. de voorste en de achterste kielbout mag een hulpwrang worden
aangebracht.

Voor boten gebouwd voor 1991 moet de dikte van de wrangen t.p.v. de spanten 2, 3, 4, 5 en 6 40 mm zijn. Deze wrangen
moeten aan de spanten verbonden zijn middels de bovengenoemde metalen versterkingshoeken.

Huid                Houtsoort vrij, latten dik 15 mm en breed 20 mm. De scheergang mag max. 80 mm breed zijn. Latten met
het zogenaamde hol-bol geschaafde profiel t.b.v. de aanliggende verbinding zijn toegestaan De latten mogen worden
gelijmd.

Dekbalken       Houtsoort vrij, 65 x 20 mm, desgewenst aan de einden verjongd tot 35 x 20 mm.

Middenbalk     Houtsoort vrij, 100 x 15 mm of twee stuks 50 x 15 mm.

Kuipwegers     Vuren, 30 x 20 mm.

Dek                 Houtsoort vrij, massief, 15 mm dik of watervast multiplex van mahonie, 10 mm dik, of watervast
multiplex van ocume, 12 mm dik.

Kuipranden     Mahonie, 15 mm dik. Hoogte boven dek, verticaal gemeten, aan de voorkant 100 mm, naar achteren verlopend
tot 20 mm boven dek.

Schuurlijsten    Mahonie, 20 x 10 mm halfrond. Het is toegestaan op of in de schuurlijsten voorzieningen aan te brengen
om uitglijden van de bemanning te voorkomen.

Mastspoor       Eiken, 135 x 23 mm, tussen spant 6 en 7.

Mastkoker      Eiken, wangen 85 x 23 mm.

Vloeren           Massief mahonie of watervast multiplex 15 mm dik, geheel gesloten. Een antislipstof om uitglijden
tegen te gaan mag op de vloeren worden aangebracht. Het is toegestaan in de vloeren hoosluikjes aan te brengen.

In plaats van de in dit reglement of in de tekeningen genoemde houtsoorten, mogen andere houtsoorten worden gebruikt,
mits deze overeenkomstige eigenschappen bezitten.

De daarvoor in aanmerking komende onderdelen mogen i.p.v. massief, uit lagen worden opgebouwd (gelamineerd).

Romp en onderdelen mogen uitsluitend worden voorzien van een ongewapende bescherm verf- en/of laklaag, tenzij deze
voorschriften anders bepalen.



2 KLASSENVOORSCHRIFTEN NATIONALE 16 M KLASSE

Deze voorschriften moeten worden gelezen in samenhang met:

-          de Reglementen voor Meetbrieven, Certificaten en Licenties

-          het Nationaal Zeilmeetreglement



2.1      BEMANNING

Gedurende de wedstrijd moet de bemanning uit 2 personen bestaan. Het gebruik van een zweefrek, behalve door de stuurman,
is toegestaan.



2.2      EENHEID

2.2.1   Het doel van deze voorschriften is het bereiken van een zo groot mogelijke gelijkheid tussen de jachten
onderling.

2.2.2   Wat niet expliciet is toegestaan in deze voorschriften is verboden.



2.3      MASSA

2.3.1   Het gewicht van de kiel, bestaande uit doodhout met ballastkiel, in droge toestand, mag niet minder zijn dan 100
kg en niet meer dan 105 kg.

2.3.2   Het gewicht van de kale romp, zonder kiel, in droge toestand, mag niet minder zijn dan 280 kg.

2.3.3   Onder de kale romp wordt verstaan: de romp met inbegrip van het dek, de mastkoker, de scheg, het roer, de
helmstok en de beschermende verf en/of laklaag, maar zonder alle losse inventaris, de zeilen, het rondhout, het
losneembaar beslag, de vloeren, de legplankjes.

2.3.4   Onder "droge toestand" wordt verstaan voor een nieuwe romp; voor deze ooit met water in aanraking is geweest en
voor een niet nieuwe romp; droog naar het oordeel van de meter.

2.3.5   Indien het gewicht van de kale romp minder is dan 280 kg, moet het verschil, het welk hoogstens 30 kg mag zijn,
worden aangevuld door compensatieballast.

De compensatieballast moet uit vier gelijke rechthoekige massieve stukken lood bestaan dien na keuring en waarmerking
door de meter, nagelvast moeten worden aangebracht met hun grootste oppervlakte tegen de onderkant van het dek in de
zijde. Een stuk aan bakboordzijde en een stuk aan stuurboordzijde, direkt achter spant 2, een stuk aan bakboordzijde en
een stuk aan stuurboordzijde, direkt voor spant 6.



2.4      KIEL, ROER, HELMSTOK EN SCHEG

2.4.1   Ballastkiel:

De kiel bestaat uit: Het doodhout, houtsoort vrij, 80 mm dik 2 mm, vorm en afmetingen volgens tekening (tolerantie op
de lengtematen en stralen : kleiner dan 500 mm is 5 mm en gelijk of groter dan 500 mm is 10 mm) en de ballastkiel
van gietijzer, gewicht met inbegrip van de kielbouten, doorsnede 16 mm of 5/8", de moeren en de De volgplaten, 80 kg met
een tolerantie van plus of min 2%.

De ballastkiel moet worden gegoten met behulp van een door het KNWV goedgekeurde gietmal.

Plaats van de kielbouten volgens tekening. Het snijpunt van de achterkant- kiel met de onderkant-kielbalk moet liggen op
2010 mm horizontaal gemeten tot aan de loodlijn vanaf boven-achterkant-dek.

2.4.2   Roer:

Roerblad: Eiken of watervast verlijmd multiplex mahonie, 23 mm dik, vorm en afmeting volgens tekening.

Roerkoning: metaal, geen lichtmetaal, massief, diameter minimaal 22 mm.

Het is toegestaan roerblad en roerkoning te voorzien van een met glasvezel gewapend polyester beschermlaagje, met in
achtname van de voorgeschreven vorm en afmetingen van het roer.

2.4.3   Helmstok:

Eiken, vorm en afmetingen vrij

Verlengstuk: aan de helmstok mag een enkelvoudig verlengstuk worden bevestigd (of een stuurtouw), lengte vrij.

2.4.4   Scheg:

Eiken of watervast verlijmd multiplex mahonie, vorm en afmetingen volgens tekening.



2.5      RONDHOUT

2.5.1   Mast:

Houtsoort vrij, massief.
Blijvend gebogen masten zijn verboden. Het gat voor de mastbout moet in het midden van de mast
zijn aangebracht.

Afmetingen van de doorsnede van de mast in de mastkoker: vierkant 85 x 85 mm ter plaatse van de mastbout, tevens mag de
mast naar onderen toe verjongd worden tot 75 x 85 mm, waarbij 75 mm de breedtemaat is. Boven de mastkoker moet de
doorsnede van de mast rond zijn en de volgende afmetingen hebben:

a.         gemeten op 250 mm boven hart mastbout moet de diameter 85 mm zijn, tolerantie plus of min 5 mm.

b.        gemeten op 2750 mm boven hart mastbout moet de diameter 90 mm zijn, tolerantie plus of min 5 mm.

c.         vanaf 2750 mm boven hart mastbout mag de mast naar boven toe gelijkmatig worden verjongd tot minimaal 60 mm.

De lengte gemeten vanaf hart mastbout, inclusief beslag max. 5000 mm.

Een gleuf of rail in of aan de mast voor het voorlijk van het grootzeil is verboden.

Mastkoker: Hoogte mastkoker boven bovenkant dek 300 mm.

De mastbout moet op 250 mm boven bovenkant dek zijn aangebracht in het midden van de mastkokerwangen. Voor schepen
gebouwd na 1 april 1985 moet de mastbout van roestvrij staal of gelijkwaardig materiaal zijn, met een diameter van 16
mm. Voor boten gebouwd voor die datum wordt dit sterk aanbevolen. Het hart van de mastbout moet liggen op 4103 mm uit
bovenachterkant spiegel op Hart Schip.

Het snijpunt van voorkant mastkoker met dek moet liggen op 4145 mm uit bovenachterkant spiegel op Hart Schip.

De stand van de mastkoker volgens tekening.

2.5.2   Giek:

Houtsoort vrij, massief afmetingen van de doorsnede maximaal 80 x 55 mm inclusief de groef voor het opnemen van het
onderlijk van het grootzeil. De giek mag niet verjongd worden.

Het profiel van de doorsnede moet zijn afgerond met een straal van tenminste 10 mm. De lengte van de giek inclusief
beslag uit de achterkant van de mast tot het uiteinde van de giek is 3530 mm.

Het hart van het horizontale draaipunt van het lummelbeslag op de giek mag zich maximaal 40 mm vanaf achterkant mast
bevinden.

"De giek mag voorzien worden van een onderlijkstrekker, uitvoering vrij, mits mechanisch, als hierdoor de lengte van de
giek inclusief beslag niet wordt veranderd."

De afstand van het hart van het zeilbevestigingspunt op de giek in de halshoek mag maximaal 15 mm boven de bovenkant van
de giek of het verlengde daarvan uitkomen, gemeten loodrecht op de giek.

De afstand van het hart van de bout van het zeilbevestigingspunt van de halshoek gemeten uit de achterkant van de mast
mag maximaal 50 mm bedragen.

De giek moet in onbelaste toestand recht zijn met een tolerantie van 20 mm. De giek mag zowel met een klauw als met elk
ander mast/giekbeslag worden uitgerust.

2.5.3   Gaffel:

Houtsoort vrij, massief, afmetingen van doorsnee in het midden 70 x 50 mm, inclusief de groef voor het opnemen van het
bovenlijk van het grootzeil.

De gaffel mag vanuit het midden regelmatig verjongd worden naar de top tot 50 x 35 mm.

De gaffel moet in onbelaste toestand aan de groefzijde recht zijn met een tolerantie van 20 mm.

De gaffel moet van een houten klauw zijn voorzien.

Vanuit het midden naar de klauw mag de gaffel in hoogte eveneens regelmatig verjongd worden, echter zodanig dat op 750
mm gemeten uit het voorste zeilbevestigingspunt de doorsnede minimaal 60 x 50 mm bedraagt. Vanaf dit punt mag de dikte
van de gaffel naar de klauw toe eveneens regelmatig afnemen.

De lengte van de gaffel inclusief beslag gemeten vanaf het hart van het zeilbevestigingspunt op de gaffel bij de
klauwhoek tot het uiteinde van de gaffel is 3500 mm.

"Een verstelinrichting op het zeilbevestigingspunt in de klauwhoek is niet toegestaan. Het bevestigingspunt van het zeil
in de tophoek mag tijdens de wedstrijd niet verstelbaar zijn."

Indien het zeilbevestigingspunt draaibaar t.o.v. de gaffel is aangebracht, moet de lengte van de gaffel worden gemeten
met het beslag van het zeilbevestigingspunt in de klauwhoek loodrecht op de gaffel.

De afstand van het hart van het zeilbevestigingspunt in de klauwhoek tot de onderkant van de gaffel of het verlengde
daarvan, gemeten loodrecht op de gaffel, mag niet groter zijn dan 30 mm. De bevestigingspunten van de spruit aan de
gaffel moeten zich bevinden op:

a.         maximaal 1300 mm gemeten vanuit het zeilbevestigingspunt nabij de klauwhoek.

b.        minimaal 2500 mm gemeten vanuit het zeilbevestigingspunt nabij de klauwhoek.

Bekledingen van de mast, mastkoker, giek en gaffel bestaande uit metaal, gewapende polyesters en andere kunststoffen,
i.p.v. normale conserverings c.q. beschermingsmaterialen, mogen slechts dan aangebracht worden indien deze dienen ter
bescherming en geen plaatselijke verstijvingen c.q. versterkingen tot gevolg hebben van genoemde onderdelen. De
beschermingen mogen niet, rondom de mast, als koker zijn uitgevoerd.



2.6      ZEILEN (zie ook het Nationale Zeilmeetreglement)

2.6.1   Grootzeil:

Lengte achterlijk 6250 mm plus of min 50 mm, lengte voorlijk 2600 mm, lengte van diagonaal 4200 mm. Breedte op halve
hoogte 2850 mm, breedte op driekwart hoogte 3000 mm. Van grootzeilen voorzien van een zeilstempel 1978 of ouder mag het
achterlijk niet langer zijn dan 6400 mm en niet korter dan 6203 mm. Het onderlijk is gebonden aan de lengte van de giek.
De bevestiging van het zeil in de halshoek aan de giek moet zodanig zijn dat het oog in de halshoek van het
zeilbevestigingspunt van de giek is gezet.

Het bovenlijk is gebonden aan de lengte van de gaffel. De bevestiging van het zeil in de klauwhoek aan de gaffel moet
zodanig geschieden dat het oog in de klauwhoek van het zeil direkt op het zeilbevestigingspunt van de gaffel is gezet.
Zeillatzakken: 3 stuks. De lengte van de bovenste latzak is 600 mm. De lengte van de middelste latzak is 1000 mm. De
lengte van de onderste latzak is 800 mm.

Zeilteken en zeilnummer:

Het zeilteken bestaat uit een cirkelboog (halve cirkel) met de boog naar beneden en met een binnenste straal van
minstens 450 mm zodat het zeilnummer in de halve cirkelvormige boog geplaatst kan worden en wel zo dat de beide
uiteinden van de boog en de bovenkant van het zeilnummer in een lijn liggen. Onder het midden van de boog moet een
streep van 50 x 150 mm worden aangebracht. De dikte van de cirkelboog is 50 mm.

Het zeilteken en zeilnummer moeten aan weerszijden van het grootzeil worden aangebracht boven een lijn welke loodrecht
op het voorlijk staat en het voorlijk snijdt op 2030 mm gemeten vanuit de halshoek. Het zeilteken en zeilnummer moeten
op verschillende hoogten worden aangebracht; aan stuurboordzijde het hoogst.

Zeilteken en zeilnummer moeten in kleur scherp afsteken met het zeil.

De afmetingen van de cijfers zijn: hoogte 300 mm, breedte 200 mm, stamdikte 50 mm, onderlinge afstand 60 mm.

Reefinrichting: het is toegestaan om in het grootzeil een reefinrichting aan te brengen. De constructie is vrij.

Een reguleerlijn in het achterlijk is niet toegestaan.

2.6.2   Fok:

Lengte voorlijk 4300 mm, lengte achterlijk 3800 mm, lengte onderlijk 2100 mm, lengte zwaartelijn 4110 mm.

2.6.3   Kleine fok:

Lengte voorlijk 3500 mm, lengte achterlijk 3000 mm, lengte onderlijk 1900 mm.



2.7      STAAND WANT, LOPEND WANT EN SCHOOTVOERING

2.7.1   Staand want:

Het staand want moet bestaan uit een stel wanten en een voorstag van staaldraad met een minimum diameter van 4 mm. Het
voorstag mag slap worden gevaren, echter het moet de mast overeind kunnen houden ingeval de fok is gestreken of het
fokkeval of de fokkehals is gebroken. Het snijpunt van het voorstag of het verlengde daarvan met het dek moet liggen
voor het snijpunt van het voorlijk van de fok of het verlengde daarvan met het dek. Het aansnijdingspunt van het
voorstag aan de voorzijde van de mast is aan de masttop of minimaal 4850 mm vanaf hart mastbout. Het voorstag mag door
het dek worden gevoerd.

De wanten moeten bovendeks aan de metalen wantputtings zijn bevestigd d.m.v. spanschroeven of strippen, waarin ronde
verstelgaten mogen worden aangebracht. Een andere manier om de wanten te verstellen is niet toegestaan. (i.e. Het
verstellen van de wanten aan de bovenkant tegen de mast is verboden.)

De wantputtings moeten tegen de binnenkant van de huid zijn geschroefd. En het hart van de puttings t.p.v. bovenkant dek
moet liggen op 300 mm achter spant 6. Het snijpunt van de wanten of de verlengden daarvan met buitenkant mast mag niet
lager liggen dan 4300 mm vanaf hart mastbout.

Het hartgat van de wantputtingen moet liggen op 3750 mm uit bovenachterkant spiegel op Hart Schip.

2.7.2   Lopend want en schootvoering.

De inrichting en het materiaal van het lopend want en de schootvoering zijn vrij, met dien verstande dat:

-          Het snijpunt van het voorlijk van de fok of het verlengde daarvan met de voorkant van de mast mag niet lager
liggen dan 4300 mm vanaf hart mastbout.

-          De grootschoot gevoerd moet worden van de achterkant van de giek over een overloop of rail op het achterdek
achter de roerkoning en vandaar verder zoals de tekening aangeeft; of gevoerd moet worden van een punt op deze overloop
of rail via het achterste aangrijpingspunt op de giek, terug naar het punt op de overloop of rail en vandaar verder
zoals de tekening aangeeft. Tussen de giek en de kuipvloer moet de grootschoot enkel geschoren zijn. Het
bevestigingspunt van het grondblok en het aangrijpingspunt van de schoot in de kuip moet zich bevinden t.p.v. spant 3.

Het voorste aangrijpingspunt van de schoot aan de giek moet tenminste op 1830 mm. achter de achterkant van de mast zijn
gelegen. Het achterste aangrijpingspunt op de giek mag niet meer dan 30 mm van het uiteinde van de giek liggen. De
gehele grootschoot moet vrij door de blokken kunnen lopen.

-          Het draagpunt van de fokkeschoot in het leioog of blok moet gelegen zijn op maximaal 80 mm boven het zijdek.
Het gebruik van een zogenaamde "Barberhauler" voor de fokkeschoot is toegestaan, mits hierdoor geen enkel deel van de
fok en/of de fokkeschoot voor het leioog binnen de kuiprand kan worden getrokken.

Het is niet toegestaan om de fokkeschoot door het dek te voeren.

Het is niet toegestaan om de Barberhauler direct aan de schoothoek van de fok te bevestigen.



2.8      BESLAG

Rolfokinrichtingen zijn verboden.

De wantputtings moeten van metaal, plat afmetingen minimaal 30 x 5 mm zijn, met een lengte van 550 mm minimum. Verder is
elk beslag toegestaan.



2.9      VERPLICHTE INVENTARIS

Gedurende de wedstrijd moeten aan boord zijn:

-          een doelmatige peddel of pagaai met een minimum lengte van 1000 mm

-          een doelmatig zwemvest voor elke opvarende

-          een hoosvat of pomp

-          een anker met een gewicht van minstens 8 kg

-          een ankertros met een diameter van minstens 12 mm en een lengte van minstens 25 meter, moet aan het anker
bevestigd zijn.

De vloeren in de kuip moeten zijn aangebracht.

Drijflichamen met een opdrijvend vermogen van minstens 170 kg moeten tijdens de wedstrijd op deugdelijke wijze in de
boot zijn bevestigd. Van het aangebrachte drijfvermogen dient 3/5 deel in het voorschip en 2/5 deel in het achterschip
te zijn geplaatst.



2.10    BIJZONDERE BEPALINGEN

2.10.1 Wegneembare voetriemen voor het uithangen van de bemanning en een wegneembare hangbalk mogen worden aangebracht.

2.10.2 Maximaal twee bruikbare zelflozers zijn toegestaan.

2.10.3 Indien een neerhouder wordt toegepast, mag slechts een aangrijpingspunt in de kuip worden gebruikt hetwelk zich
moet bevinden: in hart schip, maximaal 100 mm achter spant 6. De wijze van bevestiging op de giek is vrij.

De neerhouder moet rechtstreeks van de giek naar het aangrijpingspunt in de kuip lopen.

2.10.4 Het gebruik van een fokkeloet is toegestaan. Materiaal en afmetingen vrij.



Gedownload van internet: 25 februari 2001